Door: Kustaw Bessems & Peter Wierenga
Gepubliceerd: donderdag 10 januari 2008 23:04
Update: vrijdag 11 januari 2008 08:24
Hij wordt vaak rechts genoemd, het PvdA-talent uit Amsterdam-Slotervaart. Ahmed Marcouch is stadsdeelvoorzitter, maar met een landelijke uitstraling. Een Marokkaan die zich keihard opstelt tegen Marokkaans ‘tuig’, zoals hij het noemt. Dat spreekt tot de verbeelding. De PvdA is voor hem niet heilig, zegt hij, maar de sociaal-democratie wel. ‘Repressie is ook sociaal-democratie. Het is niet rechts om grenzen te stellen.’
Eigenlijk werkt hij aan een klassiek soort volksverheffing. ‘Je hebt een stroming in de partij die denkt dat emancipatie is: het handje vasthouden. Maar je kunt ook emanciperen door te zeggen: jongen, húp, dat is het zwembad – we hebben je geleerd om te zwemmen, nu zwemmen!’ Dat laatste, voor de duidelijkheid, is de lijn van Marcouch.
Hij sport niet meer. Vreselijk. Dat voelt hij in zijn lijf. ‘Je probeert elke keer – heel raar – een soort structuur te vinden buiten je werk. Toen ik bij de politie zat, sportte ik bijna elke dag.’ Maar zijn leven veranderde drastisch na de moord op Theo van Gogh. Hij was veiligheidscoördinator in stadsdeel Zeeburg en woordvoerder van Marokkaanse moskeeën in Amsterdam. ‘Ik werd overvraagd. Daarna is het niet minder geworden.’
Marcouch is de gescheiden vader van drie kinderen. ‘Dan is het kiezen, hen nog een paar uur zien voor ze slapen gaan, of sporten. Vrienden schieten er al helemaal bij in. Op zichzelf is dat niet gezond, denk ik.’
Marcouch heeft net nieuwe hardloopschoenen gekocht.
U wordt een belangrijke positie toegedicht in de integratiekwestie: die Marcouch gaat het land redden.
‘Ik wil hier in Slotervaart laten zien dat je strak kunt zijn als het gaat om criminaliteit en overlast, en tegelijk perspectief kunt bieden. Dat het heel goed samen kan gaan. Ik voel een morele druk en realiseer me dat de dingen die ik hier roep, over landelijke vraagstukken gaan. Als Kamerleden en collega-lokale bestuurders daardoor geïnspireerd raken: prima, het probleem is groot.’
Benoemen en bouwen, om met Doekle Terpstra te spreken?
‘Dat doen wij hier al twee jaar. Dat moet je niet zeggen, dat moet je gewoon doen. Dan krijg je weerstand, dan krijg je opstootjes, dan worden mensen boos op je. Dat is een teken dat je iets in beweging brengt wat stilstond. Negatieve reacties zijn wat mij betreft positief. Daar moet je dus niet voor terugdeinzen. Je hebt mensen nodig die hun rug recht houden en doorpakken. In Slotervaart als deeltje van Amsterdam en Amsterdam als deeltje van Nederland.’
U was natuurlijk niet door Terpstra gevraagd om te tekenen. Die wilde bewust een manifest presenteren namens de witte elite.
‘Ja, jammer. Op zich vind ik het goed dat maatschappelijke organisaties uitspreken dat het niet alleen maar kommer en kwel is, zoals de PVV schetst. Maar laat gewoon iedereen tekenen die wil. Nederland is al lang veranderd. Die witte elite is nog steeds heel machtig en groot, maar er is al lang ook een allochtone elite die de witte elite beconcurreert. Als je een statement wil maken dan moet dat zijn: wij zijn burgers van dit land, wij zijn trots op dit land, we geven om dit land. En de kernwaarden van onze samenleving onderschrijven we.’
‘Ik denk aldoor na over wat je met zo’n fenomeen als Wilders aan moet. Het gaat niet om de persoon, maar om de massa achter hem. Dat is een bepaalde minderheid in onze samenleving net zoals al die andere minderheden die ons kopzorgen opleveren. Dan is het alleen maar goed dat die een spreekbuis heeft, een voorman, dat ze georganiseerd zijn, en dat je ergens terecht kunt om te peilen wat er nou leeft.’
Die witte elite, daar zit u vaak tussen. Voelt u zich daar prettig?
‘Niet altijd. Ik voel me wel eens ongemakkelijk. Want het is voor mij een heel nieuwe, andere wereld. Ik voel me niet ongemakkelijk bij een Paul Scheffer, maar Doekle Terpstra bijvoorbeeld, daar heb ik niet een twee drie iets mee, dat is een heel apart slag elite, zeg maar. Dat is mijn eigen onwennigheid misschien. Ach, vaak heb ik daar ook geen attentie voor. Ik zit daar met mijn eigen opdracht: die elite meenemen in mijn ideeën.’
Maar waar zit het, dat ongemak?
‘Ik kom uit een arbeidersklasse. Mijn vader was arbeider, migrant. Mijn netwerk bestond uit familie en vrienden, mensen uit de moskee. Toen ik bij de politie ging werken kwam ik voor het eerst bij een autochtoon gezin over de vloer. Toen – op mijn 24e – kreeg ik voor het eerst het vooroordeel van een kopje koffie met een koekje bevestigd.’
Hij moet hard lachen.
‘Een house warming bij een collega. Daar had ik nooit van gehoord. Ik wist me geen houding te geven, zat als verloren ziel tussen die collega’s.’
‘Ik ben niet opgegroeid met autochtone kinderen. We zijn in Amsterdam-Oost heel geïsoleerd opgegroeid. We kwamen in 1979 naar Nederland, ik was een jaar of tien.
Ik sprak heel slecht Nederlands. Ik maakte bijna geen vriendjes op school. Ik heb pas, via schoolbank.nl, een foto van mezelf weten te achterhalen. Mijn vader kocht de klassenfoto’s nooit, zonde van zijn geld.’
‘We woonden met z’n achten op veertig vierkante meter. Beukenweg 5, met een gigantisch steile trap waar ik vaak van af ben gepleurd. We waren in ons dorp geen trappen gewend.’
‘Als ik met een autochtoon kind thuis zou komen… dat is een heel andere wereld. Zelfs een Marokkaans kind, dat hing er erg vanaf. Dan zou het iemand uit het eigen dorp moeten zijn, of familie. En dan nog.’
Had u ook een rellende jongere in Slotervaart kunnen zijn?
‘Nee, ik kan me er eigenlijk niets bij voorstellen. Sociaal-economisch had mijn familie misschien het profiel. Maar ik ben het bewijs dat dat niet alles bepaalt. Wangedrag, normloosheid, niet-nuttig-bezig-zijn, waren bij mijn vader uit den boze.’
‘Het eerste contact dat ik had met de politie was op de dag dat ik er ging solliciteren. Ik vond het ontzettend eng om zo’n politiebureau binnen te komen. Dat is iets wat je meegegeven is als kind in Marokko. Als de politie in de buurt was, bleef je op afstand. Dat was net een gevaarlijke hond, je weet niet hoe die reageert.’
Voor u stadsdeelvoorzitter werd, zei u zich niet te kunnen voorstellen dat sommige jongens niet te redden zijn, zoals uw voorganger zei.
‘Soms is het erg moeilijk. Bijvoorbeeld met jongeren die schizofreen zijn of psychoses hebben. Of die sterke drank en drugs gebruiken. Islamitische ouders weten vaak niet hoe ze met drank moeten dealen, omdat ze zelf niet drinken. Ik drink ook niets en leerde pas over drank bij de politie. Dan moest ik mensen onder invloed vragen wat ze hadden gedronken. Ze zeiden altijd ‘drie biertjes’.’
‘Ook gezinnen waarin kinderen geen arbeidsethos wordt bijgebracht zijn nauwelijks te helpen. Je kunt een vader niet ineens een goede vader laten zijn. Iemand moet de goodwill al hebben.’
‘Maar een groep waar je níets mee kan, bestaat niet. In het uiterste geval is er altijd het strafrecht. Dat betekent dat je – dat blijf ik roepen tot het een keer gebeurt – de pakkans moet vergroten. En dat je jongeren vervolgens straft of behandelt. En dat je ze opgesloten laat zitten, net zo lang tot er perspectief voor ze is. De afgelopen jaren heeft de politiek te lang gezegd: we hebben altijd nog wel een honk voor je, ga maar de hele dag staan biljarten in een jongerencentrum.’
Een medewerkster brengt pizza binnen. Marcouch kiest voor Margarita en een punt met tonijn.
Gaat verder: ‘Omdat die VOC-mentaliteit van Balkenende Marokkaanse jongeren niet aanspreekt, gebruik ik een ander voorbeeld. Voor het Westen misschien niet leuk. Dat is Tarik ibn Zijad, de moslimberber die aan wal kwam bij Gibraltar. Hij kwam daar met 1.200 man en zei: jongens, alle bootjes verbranden. En vervolgens: twee dingen, achter je is de zee, en voor je is de vijand. Dus het is óf strijden óf terug zwemmen. Kies maar. Dat is de mentaliteit die deze jongens nodig hebben.’
Dit soort praatjes bezorgen u onder Marokkanen het etiket van ‘verrader’ die zich inlikt bij de witten.
‘Ik ben juist wel loyaal naar die groep. Ik ben loyaal aan mijn vader. Die heeft verdíkkeme hier keihard gewerkt. Hem was alles ontnomen: scholing, werk. Het enige wat hij had, was zijn Marokkaanse paspoort en dus zijn vrijheid om te reizen. Via Spanje en Frankrijk kwam hij hier terecht. Hier heeft hij zijn bestaan kunnen opbouwen. De taal niet sprekend, de samenleving niet kennend, geen welzijnswerker op de hoek.’
Doen die verwijten u niets?
‘Het raakt, natuurlijk.’
Verliest u niet het draagvlak?
Met stemverheffing: ‘Ik ga geen onrecht verdoezelen uit loyaliteitsoverwegingen. Ik zal me niet verloochenen. Daar hoort bij dat ik soms over doorns moet lopen.’
‘Die boosheid is er het gevolg van dat je gevoelige punten raakt. Ik zeg tegen mensen: er is maar één werkelijkheid, en dat is dat je moet blokken, goede cijfers halen, solliciteren en aan het werk. Dat is hard. Want het liefst willen ze horen dat iedereen werkloos is omdat alle bedrijven discrimineren.’
‘In dit geval komt die negatieve reactie heel erg van moslimjongeren. Dat snap ik niet, want juist de islam is erg helder over wat goed en fout is. Luiheid, je school niet afmaken, niet aan het werk zijn, de buurt onveilig maken, je gezondheid en je eigen ontwikkeling naar de verdoemenis helpen, dat mag niet in de islam.’
U waarschuwt voor radicalisering, bemoeit zich met de buurtimam.
‘Je hoeft niet een Nederlandse islam na te streven, maar wel Nederlandse moslims. Dat is iemand die Nederlands gecultiveerd is, en moslimreligieus, net zoals je Nederlandse christenen en joden hebt. Maar de islamitische gemeenschap heeft onvoldoende geïnvesteerd in haar imams. Je hebt niet het kaliber dat bruggen kan slaan.’
Heeft u zelf ook een religieuze ontwikkeling in doorgemaakt? U heeft in het verleden de Egyptische sheik El Qaradawi wel eens als inspiratiebron genoemd. Een man die vormen van genitale verminking goedkeurt, zelfmoordaanslagen in Israël sanctioneert en mede bekend is van zijn fatwa tegen Pokemon.
‘Het was voor mij een zoektocht zoals voor iedereen. Ik heb als tiener een radicale fase doorgemaakt. Belangrijk is dat je leert luisteren naar allerlei types en ze kunt duiden en keuzes kunt maken. Van zo’n Qaradawi kun je vinden wat je wilt maar hij is een autoriteit in die wereld. Soms zegt hij dingen waarvan je denkt: daar moet ik niks van. Maar soms kun je eye openers krijgen. Je moet Qaradawi niet blind volgen, maar óók andere geleerden niet. Dat hebben we dus in de Tweede Wereldoorlog gehad, hè, dat de massa achter één man ging staan.’
Waar bestond uw radicale fase uit?
‘Je denkt zwart-wit. Je vindt dat de vrouw thuis hoort te zijn. Dat het Westen de vijand is. Het Midden-Oostenconflict speelde, de Afghaanse oorlog, de Iraanse revolutie. De ayatollah was onze Bin Laden.’
‘Dat stond op cassettebandjes die we uit de hele wereld kregen. En in de moskee hoorde je preken. Nederland denkt nieuwe fenomenen te ontdekken, maar het speelde al in de jaren tachtig. Niemand had er oog voor. In de moskee werd van alles geroepen. Van anti-semitisme tot oorlogstaal.’
‘Je zwart-witdenken wordt ontkracht als je nieuwe ideeën hoort. Ik kreeg toegang tot allerlei bronnen. Ik leerde ook heel snel het klassiek Arabisch. Ik kan zelf literatuur raadplegen.’
Klassiek Arabisch, hopsakee. Bent u hoogbegaafd?
‘Dat hoeft niet. In Nederland zijn zo veel kansen. Met hard werken kom je er ook. Als je het hier niet redt, red je het nergens. Mijn Nederlands is vooral ontwikkeld doordat ik als Volkskrant-bezorger veel de Volkskrant las.’
Geen wonder dat u zo voor zelfredzaamheid pleit. Maar in uw partij valt dat niet altijd goed.
‘Er is in de partij wel een stroom die zich afvraagt… ik heb wel eens geprobeerd ter discussie te stellen of de huidige verzorgingsstaat de mentaliteit van mensen aantast, het arbeidsethos. Partijgenoten zeggen: arbeid moet lonen. Maar ik zeg: als je kunt kiezen tussen een uitkering en een baan, kies je voor een baan, ook al verdien je daar geen cent méér mee. Ik zie te veel jongens die heel erg calculerend zijn: ik ga niet voor vier euro werken. Ik las over een proef waarbij mensen die geen uitkering kregen, binnen drie maanden een nieuwe baan hadden. Maar de verzorgingsstaat ligt gevoelig in de PvdA. Terecht, het is een verworvenheid.’
Mijnheer Marcouch, kunt u ons misschien uitleggen hoe het kan dat uw PvdA minister Vogelaar op integratie heeft zitten?
Brede grijns: ‘Omdat Vogelaar een fantastische minister is.’
Ja?
‘Ja hoor.’
Die is ook zo van: húp, dat zwembad in en zwemmen? Net als u?
‘Ik weet niet of ze dat met mij gemeen heeft.’
U was niet enthousiast over haar integratienota.
‘Ik ben kritisch, maar ik zeg niet dat het niks is. Ik maak dat punt over de verzorgingsstaat. En ik zeg dat de taal leren alleen niet genoeg is. Dat je ook rekening moet houden met de angsten van autochtonen…’
Komen we al bijna bij het punt waarop u uitlegt dat Vogelaar een fantastische minister is?
‘Nou, Ella Vogelaar heeft veel passie voor haar werk. En is echt wel gedreven om in moeilijke dossiers een doorbraak te krijgen. De resultaten moeten uitwijzen of iemand een goed minister is.’
Hoe bent u met Ahmed Aboutaleb?
‘Eh… goed.’
Grinnikt.
‘Ik spreek Aboutaleb heel weinig.’
Niet het idee: we hebben ongeveer hetzelfde meegemaakt, we praten af en toe bij?
‘We bellen elkaar als het er echt om gaat. Maar samen optrekken of ervaringen delen… ik heb natuurlijk mijn eigen manier van werken. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe hij daar tegenaan kijkt. Dat hebben we dus niet met elkaar gedeeld. Volgens mij ziet hij her en der een accentverschil.’
En Wouter Bos, heeft u daar ook de ervaring mee dat die in een persoonlijk gesprek veel steviger is over integratie dan in het openbaar?
‘Ik heb met Wouter niet een gesprek van: hoe denk jij nou over integratie? Ik heb hem er niet op betrapt dat hij zich stoort aan de dingen die ik doe. Maar ik ben ook niet nauw betrokken bij de ontwikkeling van de partijvisie. Ik heb één doel en dat is een doorbraak forceren, hier in het stadsdeel. Ik hoop nog tweeënhalf jaar de klus te mogen afmaken en nog vier jaar als de mensen dat willen.’
Kijkt u wel eens verder, naar uw carrière?
‘Nee, heb ik nóóit gedaan. Ik hoop straks op een nieuwe periode als stadsdeelvoorzitter. ’
Dan zit u hier over zes jaar nog! Dan bent u toch al lang minister van Binnenlandse Zaken?
‘Ik weet niet of Nederland klaar is voor Marcouch op Binnenlandse Zaken. Ik geloof niet dat de integratie zo ver is gevorderd.’
Bent u zich, als het gaat om partijpolitiek of ambities, nu op de vlakte aan het houden of staat u daar naïef in?
‘Ik ben absoluut niet naïef.’
Maar zo’n antwoord als: ik heb nooit met Bos over integratie gepraat…
‘Dat is echt zo. Ik heb Wouter begin september voor het laatst gezien. Met Wouter een kopje koffie drinken, benen op tafel en wat moeten we nou met het integratieverhaal, nou, dat hebben we dus niet gedaan.’
Hoe kan dat? Elke hoge Pvda’er die over integratie spreekt, zegt: Marcouch dit en Marcouch dat…
‘Positief?’
Buitengewoon positief!
‘Nou, dan is dat de lijn.’
Maar wij dachten dat ze daar dan ook wel eens met u over zouden doorpraten.
‘Dan zijn júllie naïef!’
Daar is de bulderende lach weer.
‘Ik kijk er zo naar: de manier waarop ik tegen dingen aankijk en die ik uitspreek leidt niet tot negatieve reacties. Zwijgen is toestemmen.’
Burgemeester Cohen riep u tot de orde toen u pleitte voor het langer opsluiten van probleemjongeren, iets dat u nu herhaalt.
‘Daar hebben we wat woorden over gehad. Hij zegt dat het niet kan. Want we leven niet in een bananenrepubliek en we hebben een rechtsstaat… maar de rechtsstaat maken wij. Maar dit soort jongens kosten zo veel geld en energie, ze kosten ons bijna onze samenleving. Waarom zou je dan de wet niet veranderen?’
Binnenkort komt Wilders met een anti-Koranfilm. De Amsterdamse korpschef Welten heeft imams op het hart gedrukt dat zij zich niet moeten laten provoceren en het hoofd koel moeten houden.
‘Als Wilders een film over de Koran wil maken, moet ie dat vooral doen. Dat recht heeft hij. Net zoals het recht bestaat om daarop te reageren. Zolang je elkaars hersens maar niet in slaat.’
‘Je kunt beter moslims leren hoe om te gaan met dat soort dingen dan alleen maar tegen ze te roepen: blijf rustig. Leer ze welke tactieken ze kunnen gebruiken: een demonstratie? Moet je een stukje inzenden? Waarom zou het hoofd niet koel zijn?’
Bij het vertrek praten we over burgemeester Cohen, die onlangs naar het premierschap lonkte. Burgemeester, zou dat dan wat voor Marcouch zijn? Jazeker, zegt zijn voorlichter: ‘Dan ben je de baas van de politie.’ Marcouch, resoluut: ‘Nee, als je echt iets te zeggen wilt hebben over politiebeleid moet je minister zijn. Het zou eigenlijk een gecombineerd ministerie moeten zijn, van Veiligheid.’
Aldus de man die nooit over zijn ambities nadenkt.
Marcouch pakt een vergeelde foto op van zijn bureau. Marokkaanse man in zondags pak, tussen de duiven op de Dam. ‘Hier gaat het om’, zegt Marcouch. ‘Hem wil ik eren.’